preek broeder Thijs zondag 12 januari 2020

Doop van de Heer  Mt 3,13-17

Op de meeste plaatsen heeft men niet tot het feest van vandaag gewacht om kerstboom en
kerststal op te ruimen. Dat was vroeger wel anders. Toen bleef de kerststal op tal van
plaatsen zelfs staan tot twee februari, feest van Jezus opdracht in de tempel. Zegt dat
misschien iets over de haast die zo tekenend is voor onze tijd? Men had niet alleen tijd om te
vieren, maar men nam ook de tijd om het gevierde te laten binnenkomen, om het te laten
afdalen in het hart. Geduld en tijd, zijn ze niet wezensnoodzakelijk voor menswording? Mens
word je immers niet in een oogwenk, het vraagt tijd om te mogen groeien, tijd om te worden
wie je bent.
Vandaag sluit de liturgie de kersttijd af. De doop die wij vandaag vieren is een keerpunt in
het leven van Jezus. Er begint een nieuwe fase. En zoals het begin van zijn leven
gemarkeerd werd door het overschrijden van een grens, zo is dat ook nu weer het geval.
Met de geboorte verliet Jezus de veilige moederschoot om zich doorheen het water een weg
te banen naar de overzij. Ongekend gebied in, een nieuwe wereld. Weg uit de benauwenis
van de moederschoot naar wijd land, met alle beloften en gevaren die daarmee verbonden
zijn.
In de kersttijd hebben we gehoord hoe dat kind gelovig werd ontvangen door ouders die het
een naam gaven. Het was niet zo maar iemand, maar het kreeg een naam en een gezicht en
daarmee werd het ingevoegd in een geschiedenis van mensen, een geschiedenis van God
met de mens. Maar vanaf het prille begin waren er ook andere geluiden. Er was geen plek in
de herberg, en hij werd niet door iedereen met open armen ontvangen. Herodes voelde zich
door dat kind bedreigd, want er gingen verhalen rond over een koningskind dat in zijn gebied
geboren was.
Nee, aan het begin van dit leven was het niet allemaal zonneschijn, ook al zongen engelen
een lied en werden er over dit kind grote woorden gesproken door eenvoudige herders,
mensen die niet meetelden op het grote toneel, maar die wisten te melden welke belofte er in
deze boreling verborgen lag.
Als we die eerste hoofdstukken van het evangelie van Mattheus overwegen, dan horen wij
de rest van het verhaal al meeklinken. Door armen en kleinen zal hij worden ontvangen en
begroet als Gods geschenk, als iemand die begaan is met randfiguren, kanslozen en
mensen die geen smetteloos blazoen hebben. Maar voor wie hoog gezeten zijn en voor wie
weten wat recht en regel is, voor hen is hij de man niet, zij zien hem als een bedreiging, want
hij meet met een maat, die zij niet delen. Hij meet met de maat van Gods barmhartigheid en
die zet alles op zijn kop. Toen en nu.
Vandaag is er opnieuw sprake van een grensoverschrijding. Nu niet van een kind dat de
moederschoot verlaat, maar van een jongeman, die een nieuwe stap zet op de weg van het
leven. En ook deze paar verzen zijn een spiegel van wat nog komen gaat.
De Jezus die wij vandaag ontmoeten, weet waarvoor hij staat, waarvoor hij kiest. Hij heeft in
die jaren van kind naar man geluisterd naar de oude schriftverhalen en naar de weerklank

daarvan in zijn eigen hart. Hij heeft gediscussieerd met schriftgeleerden, de synagoge
bezocht en gebeden, en zo hij heeft zijn innerlijke weg gevonden. En in het gesprek met
Johannes daar aan de over van de Jordaan vraagt hij om gedoopt te worden. Juist als al die
anderen wil hij gedoopt worden, hij wil met al die anderen door het water gaan. Één met hen,
want daartoe voelt hij zich geroepen. Om samen met die anderen het leven te delen, tot op
de bodem, ja, tot waar je alle bodem onder de voeten voelt verdwijnen. Zo ver wil hij met hen
gaan, want daartoe is hij gekomen. Om mensen doorheen het water van de dood te dragen,
op zijn schouders als het moet.
Johannes heeft het er moeilijk mee. Hij bespeurt in deze dopeling geen spoor van duisternis
of bedrog. Hier valt niets af te wassen, en waarom dan toch die vraag om hem te dopen?
Johannes verwoordt hier wat aan het eind van het grote verhaal door de honderdman op zijn
eigen manier zal worden herhaald. Wanneer Jezus sterft aan het kruis en andermaal het
water van de dood trotseert, dan is het de honderdman die uitroept: waarlijk, deze was Gods
zoon. Die romein had evenals Johannes gezien dat deze mens niet was als al die anderen.
De wereld met al zijn begeerten, met al zijn kuiperijen en duistere krachten, dat alles had op
hem geen vat gekregen.
Maar zover is het nog niet, maar in het doopverhaal horen wij juist als in het geboorteverhaal
dat wat nog komen moet.
De oude Adam was in het paradijs bezweken voor de verleiding van de macht. Hij eigende
zich toe wat niet van hem was. Hier aan de oever van het water ontmoet Johannes een
jongeman die zich niets toe-eigent, meer nog, die afziet van wat hem toekwam en die er voor
kiest het leven te delen van mensen die leven in de schaduw van de dood. Gevangenen in
tal van kluisters, of opgesloten in zichzelf, door ziekte, eenzaamheid, mislukking en al die
vormen van pijn en verlies. Deze ene, hij laat hen niet alleen, maar samen met hen, met
ons, gaat hij op weg, een pad door de zee, naar de oever van een nieuw bestaan. Door God
gekend, door God bemind.
Johannes ziet hem komen en aarzelt, maar Jezus daalt vastbesloten af in de diepte,
gehoorzaam aan een innerlijke stem. En opkomend uit het water gaat de hemel voor hem
open en wordt hij van Gods wege bevestigd. Al het onze heeft hij gedeeld uit vrije keuze,
hem heeft God gezalfd met zijn Geest, en hem de naam gegeven van welbeminde zoon,
nieuwe Adam, eerstgeborene uit de doden.
Zo staat hij hier vandaag om alle gerechtigheid te vervullen en ons, gedoopten, mee te
nemen op die weg naar de overzij, leven in Gods Licht. Amen.

Nieuwsbrief

Schrijf u vrijblijvend in en blijf op de hoogte van de activiteiten van Abdij van Egmond.

We respecteren uw privacy. Sint-Adelbertabdij zal uw e-mailadres nooit delen met derden.
© 2024, Abdij van Egmond Algemene voorwaarden